Het Pensioenakkoord, wie ontvangt het voordeel? Welk voordeel?
Wie ontvangt het voordeel bij verschuiving van de pensioenleeftijd, de werkgever of werknemer?
In Accountancynieuws nummer 17 van 30 september gaan wij in onze tweede bijdrage in op de gevolgen van de voorgestelde fiscale wijzigingen in de wet op de Loonbelasting. Althans, voor zover van belang voor de bij een levensverzekeraar verzekerde pensioenregeling. Uiteraard vanwege het, binnen het Pensioenakkoord van de Stichting van de Arbeid nogal eufemistisch omschreven , 'levensverwachtingsaanpassingsmechanisme' dat kort gezegd inhoudt dat in de toekomst de pensioenrichtleeftijd opschuift met de toename van de levensverwachting. In 2013 gaat deze pensioenrichtleeftijd naar 66 jaar, in 2015 naar 67 jaar. De AOW gaat in 2020 naar 66 jaar, in 2025 naar 67 jaar.
In het artikel berekenen wij wat het mogelijke premievoordeel is als de pensioenleeftijd in de pensioenregeling stapsgewijs, of direct, opschuift naar 67 jaar. Dat voordeel loopt op tot ongeveer 9% bij overigens ongewijzigde omstandigheden. Een kostenvoordeel dat we achtereenvolgens toerekenen: 1. prorata aan zowel werkgever en werknemer naar de mate waarin de kosten van de pensioenregeling zijn verdeeld. In dit geval 1/3 werknemer en 2/3 werkgever 2. 100% naar de werkgever waardoor de verhouding wijzigt naar 63%/37% 3. 100% naar de werknemer waardoor de verhouding wijzigt naar 74%/26%
Spijtig is dat de kolom 'werkgevers' in het tweede scenario waarin het voordeel volledig naar de werkgever gaat niet helemaal juist is overgenomen. De verhoudingspercentages op 66 en 67 jaar zijn 62,33 respectievelijk 57,82%. In de online versie op www.accountancynieuws.nl vindt u de correcte percentages. Deze online versie kunt u ook hier vinden.
Maar is er nog wel een voordeel te verdelen?
de rekenrente Interessant in dit verband zijn berichten dat levensverzekeraars bezig zijn om een oplossing te vinden voor de structureel lage marktrente die de rentabiliteit van haar traditionele verzekeringscontracten onder druk zet. In die contracten wordt er, sinds 1999, gerekend met een rekenrente van 3%. Dit houdt in dat bij de tariefsbepaling de verzekeraar incalculeert dat op de betaalde premie in ieder geval 3% rendement kan worden gemaakt, indien de premies zouden worden belegd in staatsleningen. Feitelijk wordt er vooraf een contractuele korting verstrekt door het hanteren van een rekenrente van 3%. Zo wordt dat door werkgevers overigens niet ervaren! Maar dat ligt meer aan het (niet) communiceren van de verzekeraar met haar contractspartijen.
Het effectieve rendement op die staatsleningenbelegging, het u-rendement, kende in de afgelopen jaren een enorme duikeling tot ver onder de 3%. Wat betekent dat de verzekeraar in de afgelopen periode een te hoge korting heeft verleend. Dat wordt natuurlijk recht gezet bij de eerstvolgende contractsverlenging. Althans, voor zover het de toekomstige pensioenopbouw betreft. De verzekeraar geeft immers een garantie af bij aangaan van de overeenkomst dat zij de in de contractsperiode opgebouwde aanspraken in stand houdt. Dan kan men dat achteraf natuurlijk niet meer gaan corrigeren.
De meest transparante manier om te gaan corrigeren voor de structureel lage marktrente is het verlagen van de rekenrente. Recente ontwikkelingen laten zien dat verzekeraars deze transparante correctie doorvoeren. Er zijn ook verzekeraars die dit doen door de rekenrente optisch in stand te houden maar via een minder transparante, maar net zo effectieve manier hetzelfde realiseren door toepassing van correctiemechanismen met de meest exotische namen. Ze komen allemaal neer op het verlagen van de effectieve rekenrente. Een stijging van de pensioenlasten dus.
hoe verhoudt zich dat tot de 'overrente? Dat is een goede vraag. Overrente is de winstdeling die toekomt aan de werkgever in de vorm van premiekorting achteraf of als financieringsbron van toeslagverlening (en dan niet meer als premiekorting wordt verstrekt). De basis van de overrente is het verschil tussen het effectieve rendement, het u-rendement, en de contractuele rekenrente. In situaties waarin het u-rendement nauwelijks hoger is dan de contractuele rekenrente (of zelfs negatief) dan deelt de werkgever niet mee in de winst. Die is er dan namelijk niet. De overrente is dan nul.
de levensverwachting Periodiek, bij de contractsherziening, verdisconteert de verzekeraar haar nieuwste inzichten ten aanzien van de levensverwachting in de grondslagen waarop de premies voor de volgende contractsperiode worden bepaald. Men hanteert daarbij niet uitsluitend geupdate sterftetafels, al dan niet gecorrigeerd met leeftijdsterugstellingen maar ook prognosetafels die inzicht geven in de toekomstige ontwikkeling van de levensverwachting. Een stijging van de pensioenlasten dus.
Zeg maar dag tegen het voordeel van de latere pensioenleeftijd
Dat de geschetste bedreigingen per saldo een kostenverhogend aspect hebben is niet verwonderlijk zoals onderstaande tabel laat zien. Hierin calculeren we stapsgewijs de tariefsverzwaringen van zowel de rekenrentedaling als de verdere stijging van de levensverwachting in combinatie met het verschuiven van de pensioenrichtleeftijd. Daarbij houden we zelfs al rekening met een premiekorting als gevolg van een klein beetje overrente in de toekomst. Om precies te zijn een netto u-rendement-dat is het u-rendement na aftrek van de beheerskosten voor de verzekeraar (ja, ja er worden kosten gemaakt voor het aanhouden van een fictieve belegging in staatsleningen) - van 2,9% ten opzichte van een effectieve rekenrente van 2,5%.
| Uitgangssituatie op 65 jaar (3% rekenrente) |
100% |
| Rekenrente 2,5% op 65 jaar |
110.78% |
| Rekenrente 2,5% plus toekomstige levensverwachting op 65 jaar |
119,41% |
| Inclusief verschuiving pensioenrichtleeftijd naar 67 jaar |
108,41% |
Conclusie
Het sec verschuiven van de pensioenleeftijd naar 67 jaar leidt, ceteris paribus, tot een daling van de kosten van 100% naar 91,15% (zie hiervoor het artikel). Recente ontwikkelingen echter leiden niets anders dan tot de conclusie dat alle MKB-ondernemingen met verzekerde pensioenregelingen op termijn ook de pijn gaan voelen van de lagere effectieve rekenrente en de nog steeds stijgende levensverwachting. In plaats van een daling van de kosten, kan het leiden tot een stijging van ruim 8%!
Zie hier het dilemma waar het Pensioenakkoord dat is gesloten in de Stichting van de Arbeid een vangnet zou moeten bieden aan, voornamelijk, pensioenfondsen. Maar dan voorgerekend voor verzekerde pensioenregelingen waarmee duidelijk wordt aangetoond dat het in het Pensioenakkoord geintroduceerde 'levensverwachtingsaanpassingsmechanisme' gecombineerd met het 'financiele schokken aanpassingsmechanisme' al jaren staand beleid is bij verzekerde pensioenregelingen. Namelijk, de keuze voor ofwel een 'Eddy Wally'-pensioen ("zeker en vast, lieve dames en heren") maar wel laag ofwel een boterzachte aanspraak op een misschien hoger pensioen als de ontwikkeling van de levensverwachting meevalt en/of het rendement op de premies meevalt. Kiest de werkgever het laatste dan zal hij in overleg met en na instemming van de werknemers moeten overstappen op een ander type pensioenregeling, dat fiscaal de kwalificatie van beschikbaar premieregeling heeft. Maar is daar feitelijk al geen sprake van als je als deelnemer in een bedrijfstakpensioenfondsregeling een boterzachte aanspraak op middelloon aangeboden krijgt?
|